Historie van de Shakuhachi
De oorsprong van de shakuhachi is onbekend. Zij constructie
is zo basaal, het was hoogstwaarschijnlijk een van de eerste muziekinstrumenten
die de mens ter beschikking kwam. Zoek een stuk riet of bamboe, blaas over het
uiteinde en je hebt het, een toon. Dit is de basis voor de panfluit waarbij een
aantal van deze pijpen van verschillende lengte naast elkaar een ongekende
mogelijkheid bieden. Neem een enkele pijp en prik wat gaten in de zijkant en
hebt de mogelijkheid een melodie te spelen op slechts een pijp.
De naam van het instrument is afgeleid van
een oud meetsysteem. Shakuhachi is de verbastering van ‘i shaku ha sun’ wat
letterlijk "een shaku en acht sun",
(ca) 54,5 cm betekent, de lengte van de klassieke fluit. Instrumenten
variërend in de lengte van ca. 32 tot 70 cm. worden gebruikt in concerten
terwijl er fluiten tot wel 93 cm worden bespeeld, zij het minder frequent.
De oorsprong van de shakuhachi, volgens
één theorie, is terug gevolgd tot in het oude Egypte en er wordt aangenomen
dat hij via India en China is gemigreerd voordat hij in de zesde eeuw in Japan
bekend werd. Zijn populariteit was echter een kort leven beschoren en het was
pas in de dertiende eeuw dat hij in ere werd hersteld door de Fuke, een
boeddhistische sekte die een vervanger zochten voor het reciteren van sutra’s
bij Sui Zen of “blazend Zen”. Pas in de Edo periode (1603-1867) bereikte het
instrument zijn eind en meest definitieve fase van ontwikkeling. Gedurende deze
periode, die werd gekenmerkt door het uiteenvallen van het feodale Japan, werd
de shakuhachi gewaardeerd door een groeiend aantal ontwortelde samurai strijders
(ronin) die de rangen van rondreizende priesters, bekend als komuso
(‘priesters van leegte en nietsheid’) versterkten. De komuso droegen grote
manden (tengai) over hun hoofd om hun onthechting van de wereld te symboliseren.
Gewelddadige strijd tussen clans die de zestiende eeuw karakteriseerden, dwong
sommigen van deze komuso voor hun eigen bescherming te organiseren in een
genootschap. Leden van de Fukeshu brachten de shogun – Japans hoogste
krijgsheer – ertoe, met vervalste documenten, om hen exclusieve rechten te
verlenen om de shakuhachi te mogen bespelen en om aalmoezen te verkrijgen. Als
tegenprestatie gingen zij ermee akkoord andere ronin te bespioneren. De legende
gaat dat deze komuso, omdat zij hun zwaard niet meer mochten dragen, de
shakuhachi herontwierpen uit de basis van een bamboestengel, deze langer en
geschikter maakten als slagwapen en als een instrument voor spirituele
bezigheid.
Volgens
een andere theorie deed de
shakuhachi zijn intrede in het Japanse leven ergens tussen het stenen
tijdperk en de zesde eeuw van onze jaartelling. Of de shakuhachi geëvolueerd is
uit locale invloeden of dat hij van elders kwam is niet bekend.
Japan heeft zich door de eeuwen heen in een isolatie bevonden
die tot ongeveer de derde eeuw voor onze jaartelling heeft geduurd. Deze
isolatie eindigde met een toenemende culturele en technologische stimulatie
vanuit China die langzaam de Japanse manier van leven heeft veranderd. Deze
invloed vindt zijn hoogtepunt in de zesde eeuw van onze jaartelling toen elk
aspect van de even oude Chinese cultuur door Japans stroomde: kunst,
kalligrafie, geneeskunde, muziek, metaalkunde, textiel en het boeddhisme.
Een Chinese versie van de shakuhachi met zes gaten wordt in
de geschiedenis zichtbaar vanaf de zesde eeuw en werd gebruikt in de Japanse
hofmuziek. In deze vorm floreerde hij tot de tiende eeuw, waarna de populariteit
langzaam afnam.
In de dertiende eeuw verscheen er een orde van wandelende
monniken die een vijfgaten versie bespeelden, de Hitoyogiro. Deze fluit, kleiner
dan de hedendaagse shakuhachi, was nog steeds kort, smal en bezat een hogere
toonhoogte.
In de zeventiende eeuw had zich een andere orde van
rondtrekkende Zen monniken gevormd. Zij bespeelden de langere
“bamboestengelbasis” shakuhachi die we vandaag de dag kennen. Deze Komuso,
of “priesters van leegheid”, droegen grote strohoeden, een soort mand die
het hele gezicht bedekte, en die de boeddhistische overtuiging symboliseerden om
begeerte uit te bannen.
Deze Komuso floreerden voor enkele eeuwen. Zij verkregen
officieel erkenning in ruil voor informatie aan de lokale of landelijke
bestuurders over wat zij hoorden en zagen.
Het was in de achttiende eeuw toen een hooggeplaatste Komuso,
Kurosawa Kinko, boeddhistische muziekstukken uit omringende tempels verzamelde.
Hij bracht 36 van deze composities samen in, wat vandaag de dag, de standaard
Kinko school Boeddhisctie Hon Kyoku (‘originele stukken’) repertoire wordt
genoemd.
Rond het midden van de negentiende eeuw vielen de Komuso in
ongenade en uit de resten ervan ontstond de Meian ‘school’. Het was ook rond
deze tijd dat de shakuhachi in toenemende mate toepassing vond als een
spiritueel instrument.
Vanaf het midden van de negentiende eeuw ontstond in Japan
een groeiende belangstelling voor ‘westerse’ muziek en deze begon inbreuk te
maken op de Japanse muziektradities. De shakuhachi, als instrument, doorstond
deze verandering dankzij de Tozan school, omdat deze de moderne muziek
benadrukte.
Dankzij Kuroswa Kinko, hadden de kinko en Meian scholen een
kern van 36 composities om de boeddhistische muziektraditie voort te zetten.
Deze kleine aristocratische groepen
zijn trots op hun nauwe relatie met de oude tradities.
Terwijl
de Meian en Kinko scholen beiden bij de originele boeddhistische stukken (Hon
Kyoku) bleven, zijn er toch verschillen. De Kinko school heeft naast deze Hon
Kyoku een wijds repertoire aan klassieke kamermuziek. Dit is ensemblemuziek,
gebaseerd op de traditionele muziek voor twee andere Japanse muziekinstrumenten,
de Koto en de Shamisen. Kinko leraren verwachten van hun leerlingen dat zij deze
muziek goed kennen voordat zij doorgaan met de boeddhistische Hon Kyoku muziek.